Vraag en antwoord

Heb je vragen over het materiaal van Taal: doen!, onze werkwijze, de vier kernen, de aanschafkosten of andere onderwerpen? De antwoorden op veelgestelde vragen vind je hieronder!

 

Als je geen antwoord kunt vinden op je vraag, neem dan contact met ons op via info@taal-doen.nl

Moet een kind alle werkjes gedaan hebben?

In een la zitten 60 werkjes, sommigen duren lang. Een kind hoeft niet alle werkjes gedaan te hebben. Jouw taak is het om te zorgen voor diversiteit: bijvoorbeeld het kiezen uit de groen, gele, blauwe kern moet wel afgewisseld worden. Het gaat niet om de hoeveelheid werkjes, om het doen. Het gaat wel om het leren, de doelen.

Waar laat ik de grote kaarten?

De grote kaarten zijn controle en opzoekkaarten voor het kind. Je kunt ze in een houten standaard zetten. Zorg altijd voor de beperking: er is maar een kaart zichtbaar. De rest staat erachter. Zo kun je de ene week de taalsymbolen in de aandacht zetten, de andere week juist het vervoegen van de werkwoorden.

Wat als we een kaartje kwijt zijn?

Verloren kaartjes kunnen niet los bijbesteld worden. Je hebt bij de set een grote hoeveelheid lege kaartjes ontvangen. Bewaar die goed, je kunt daar nieuwe kaartjes van maken. Jullie hebben een bestand ontvangen waar alle inhouden in staan, zo kun je precies terugvinden welk kaartje je mist.

Hoe weet ik of alle taaldomeinen aan bod komen?

Alle taaldomeinen zijn ruim opgenomen. Als je werkt met een werkje komen er verschillende taaldomeinen en doelen aan bod. De ervaring leert dat kinderen voorkeuren voor bepaalde type werkjes hebben en dat hierbij gewoon alle taaldomeinen aan bod komen.
Wil je weten of er voldoende afwisseling is dan kun je de taaldomeinen terugvinden bij handleiding/werkjes.

Hoe breng ik het werk onder de aandacht?

Bij Taal: doen! hoort een presentatiewand. Als een kind een mooi werk heeft gemaakt hangt hij dit op. Geef aandacht aan de verzorging, denk aan: taalwerk wordt op lijntjespapier geschreven, het werk is geïllustreerd, het werk wordt op een gekleurd vel geplakt, voorzien van datum, titel van het werkje en naam van het kind.
Het is aan te bevelen ongeveer 2 maal per week een presentatiemoment met de groep te organiseren. Dat kan het beste aan het eind van de dag. Kinderen die willen kunnen hun werk presenteren. Het is aan jou als leerkracht hoe je hier een leermoment van maakt: bijvoorbeeld door het kind ook vragen aan de groep te laten voorbereiden of door de groep vragen te laten stellen. Ook kun je een Raad & Daadkaart aanbieden die aansluit bij presentatievormen. De hele groep let dan op dat ene aspect.

Hoe bied je de woordsoorten aan?

We gaan er vanuit dat de kinderen werken met de taaldozen. Alle taaldozen horen thuis in de middenbouw. Het materiaal van Taal: doen! verdiept en herhaalt de kennis en vaardigheden.

Hoe bied je ontleden aan?

We gaan er vanuit dat de kinderen werken met het pijlenmateriaal voor ontleden. Dat is de basis. Het materiaal van Taal: doen! verdiept en herhaalt de kennis en vaardigheden.

Wat doe ik met de kaarten voor zinsontleding?

Je start met een lesje: iedere kaart gaat over nieuwe kennis. De zinnen die eronder staan zijn gericht op het oefenen.
Daarna volgt het leren. Je zegt: bedenk nu zelf zinnen waar … (bijvoorbeeld een lijdend voorwerp in voorkomt).  Ga op zoek naar zinnen met …
Voor verdere oefeningen wordt het doosje met zinnen gebruikt.

Hoe weet ik welke spellingafspraken aangeboden moet worden?

Spelling behoort deels tot de lijn van de leerkracht. Dat betekent dat je wekelijks een of twee categorieën aanbiedt en bespreekt. Voorkeur heeft het aanbieden van een afspraak aan de gehele groep. Een spellingslesje rond een afspraak duurt hooguit 10 minuten, liever 5. Zie hiervoor ook onze handleiding/spelling.
In het excel bestand filter je je groepen en zo kun je precies terugvinden welke spelling categorieën je moet aanbieden. Deze kun je heel handig in je periodeplan opnemen.

Waar moet ik op letten bij een goed spellinglesje?

Als je een goed spellinglesje wilt geven, dan is modelen van belang. Schrijf een woord en spreek hardop uit wat je denkt als je het woord schrijft. Zo horen kinderen de afspraken terwijl ze het woord zien ontstaan. Dit kan individueel en ook tijdens een groepsles.
Spelling is zo veel meer dan het aanbieden van een afspraak.

Wat doe je als een kind heel vaak hetzelfde werkje kiest?

Kinderen kunnen hetzelfde werk meerdere malen doen. Juist de herhaling is van groot belang voor het leren. Bevraag het kind tijdens je ronde en hoor wat er omgaat in het hoofd van het kind. Laat het kind vertellen wat het denkt en wat het leert van het werkje. wat is er zo interessant aan?
Als meerdere kinderen een specifiek werkje regelmatig kiezen, kun je dit ook gebruiken om een groepsboek te maken.

Ik zoek het nakijkboekje

Taal: doen! maakt geen gebruik van een nakijkboekje. Door de variaties in de verwerkingen is een eenduidig nakijkboekje niet mogelijk. Wel heb je pdf-bestanden ontvangen van alle werkjes. We stimuleren kinderen onbekende dingen op te zoeken of te vragen aan een ander. Kinderen die moeite hebben de spellingafspraken toe te passen, hebben sowieso moeite met het corrigeren van hun eigen werk.
Je kijkt het werk samen met het kind na, dit doe je door te spreken over het werk. Tijdens de rondgang geef je feedback. Nakijken na schooltijd is weinig effectief voor het leren van kinderen.
Een leuk idee is om met je groep een soort nakijkboek te maken. Als het kind een doosje heeft gelegd maak je een foto.

Hoe zit het met de registratie?

We bieden diverse voorbeelden van registratie. Deze vind je in het menu onder  handleiding. Je kunt ze downloaden en aanpassen aan je eigen school. We adviseren om het kind een overzicht van de mogelijke werkjes te bieden en dit te koppelen aan doelen. Het gaat er niet om wat je gedaan hebt. Wel om wat je geleerd hebt.
Als je als school een goed registratiesysteem hebt ontwikkeld, kun je dit natuurlijk ook op Montessorinet plaatsen. Dan deel je het met anderen. Er staan er enkele.

Hoe weet ik in welk doosje een los kaartje hoort?

Ieder kaartje is gecodeerd. In het menu onder handleiding kun je precies vinden welke codering bij welk werkje hoort. We adviseren om gevonden kaartjes in een bakje op je bureau te verzamelen en aan het einde van de dag, tijdens de taakjes, de kaartjes in de juiste doosjes terug te plaatsen.
Een Taal: doen! werkje moet altijd op een dienblaadje gedaan worden.

Hoe organiseer ik Taal: doen! in mijn rondgang?

Net zoals bij al het andere werk wil je het kind en zijn werk zien. Dat doe je tijdens je rondgang, dan kom je ook bij het kind met een taalwerkje. Je bespreekt kort het werk. Soms geef je een aanbieding, dit doe je zoveel mogelijk op montessoriaanse wijze: kort, met weinig woorden en op de inhoud gericht. Je vraagt: Waar gaat dit over? Vertel eens, wat leer jij hiervan?
Daarna kun je de activiteiten zoals vermeld op het kaartje bespreken. Je past dit aan indien nodig. Zo kun je het werk inperken door te zeggen: Schrijf vijf woorden op. Of Je kunt het kind een andersoortige verwerking laten maken. Zorg dat je tussentijds het werk ziet. Na afloop geef je feedback: op het werk en op het proces.

Op welke wijze is Taal: doen! te combineren met andere leerinhouden?

We adviseren altijd een Taal: doen! werkje op je aandachtstafel te zetten.  Dat kan een werkje uit de kernen  zijn.  Dit kan ook een raad & daadkaart zijn. Hiermee integreer kosmisch en taal.

Wat valt er onder de lijn van de leerkracht?

Grofweg kun je stellen dat de basislade het meest geschikt is voor de lijn van de leerkracht valt. Je biedt spelling aan. Je geeft af en toe een aanbieding over woordbenoemen, zinsontleden of werkwoorden. Je kunt een raad & daadkaart gebruiken voor een groepsles.
Natuurlijk is ieder kind vrij om ook zelf dit werk te kiezen.

Kan ik een Montessori Minute inzetten?

Taal: doen! leent zich heel goed voor Montessori Minutes: het zijn de korte momenten die je effectief inzet om met de gehele groep aan het werk te zijn.

Enkele voorbeelden:
Je pakt een zin uit de doos zinnen. Je schrijft deze op het digibord. De kinderen gaan staan. Een kind kan een vraag stellen over de zin. Bijvoorbeeld Zet de zin in het meervoud. Een ander kind geeft het antwoord. Wie ziet er nog meer mogelijkheden? Bijvoorbeeld: zet de zin in de verleden tijd, wat is de persoonsvorm, kun je het bijvoeglijk naamwoord veranderen, welke spellingafspraken zie je in de zin, etc. etc.
Ook de stroken met taalsymbolen kunnen goed ingezet worden.

Heb je nog meer ideeën: plaats ze op montessorinet onder het kopje: Montessori Minutes met Taal: doen!

Ik heb groep 5 en 6. Hoe werk ik dan met Taal: doen! ?

Werk je met een tussenbouw? Dan hebben we een speciale basisdoos voor je. In deze basis zit een selectie van werkjes uit de basislade van de middenbouw en van de bovenbouw. Daarnaast ontvang je een doos met de werkjes voor groep 5 en een voor groep 6. Zo is ook jouw taalset volledig.
Je houdt een lege lade over. Deze kun je gebruiken voor papier, schriften en ander taalmateriaal.

Ik begrijp de keuze voor een regel- of weetwoord niet.

Bij de spellingafspraken hebben we keuzes gemaakt bij de regel- en weetwoorden.  Neerlandici geven aan dat het eigenlijk niet uitmaakt. Kinderen zouden ZELF moeten verwoorden welke strategie het beste past. Dit bevraag je in de ronde, tijdens een lesje, tijdens een 4e trapgesprek: Hoe weet je nu dat je fraai met een i schrijft? Hoe onthoud je dat? Het ene kind zegt: Dat weet ik gewoon. Het andere: Omdat het net zo’n woord is als saai.